onderzoek dat betrekking had op de complexe en vaak tegendraadse relaties tussen landbouwbeoefening

In 1980 startte Jan Douwe van der Ploeg, samen met Eppo Bolhuis, een onderzoek dat betrekking had op de complexe en vaak tegendraadse relaties tussen landbouwbeoefening en markten.
Dit onderzoek, dat mede geinspireerd was door de voorafgaande ervaringen in Peru, Colombia en Guiné Bissau, werd uitgevoerd in Italie (in de regio's Emilia Romagna en Campania) en Peru (in Antapampa bij Cuzco en in Alto Piura in het noorden van het land).
Dit onderzoek werd de basis voor een gezamenlijk proefschrift, dat in Leiden (1985) werd verdedigd onder de titel Boerenarbeid en Stijlen van landbouwbeoefening. Later verscheen er een Italiaanse versie van dit boek onder de titel La Ristrutturazione del Lavoro Agricolo en een Engelstalige versie (bij Westview Press in de Verenigde Staten) getiteld Labor, Markets and Agricultural Production.

In dit proefschrift werd aangetoond dat een toenemende marktafhankelijkheid (met name aan de toevoerzijde van het bedrijf) leidt tot een omslag in het ontwikkelingspatroon van het bedrijf. Van een geleidelijk doorgaande intensivering die steunt op kwantiteit en kwaliteit van boerenarbeid naar een patroon dat scharniert rond een versnelde schaalvergroting en een (relatieve) extensivering. In de wereld van Nederlandse landbouwkundigen leidde deze studie tot veel discussie. Doorgaans wordt een stijgende marktintegratie immers gezien als 'motor' van agrarische groei en vooruitgang.

Na een korte periode waarin hij college gaf aan de Universiteit van Leiden, werd Jan Douwe van der Ploeg uitgenodigd door Norman Long, toen hoogleraar Ontwikkelingssociologie in Wageningen, om deel te vormen van zijn team.
Dit was het begin van een vruchtbare samenwerking die onder meer resulteerde in een serie artikelen en in een nieuw, aantrekkelijk programma voor studenten. Door zijn nieuwe positie in Wageningen kon Jan Douwe van der Ploeg opnieuw, maar nu gewapend met nieuwe inzichten uit de ontwikkelingssociologie (zoals de actor oriented approach) ?n met zijn eigen ervaringen uit de Derde Wereld, de Nederlandse en Europese landbouw bestuderen.

Rurale sociologie (met name de Europese en de Amerikaanse variant) en ontwikkelings sociologie waren tot dan toe twee gescheiden 'werelden'. De een concentreerde zich op de geindustrialiseerde wereld, de ander op de Derde Wereld. Van der Ploeg en Long slaagden erin deze twee bronnen tot ??n geheel te smeden, waarmee een benadering ontstond die sterk vernieuwend was voor de analyse van de Europese landbouw. Arbeidsprocesanalyse, uiteenlopende betrekkingen tussen boerenbedrijf, markten en technologie, culturele repertoires en bedrijfsontwikkelingsstrategieen vormden de hoekstenen van een onderzoeksprogramma dat mede door onderzoekers als Dirk Roep, Rene de Bruin, Han Wiskerke, Rudolf van Broekhuizen en anderen, werd uitgebouwd.

Binnen deze nieuwe benadering bleek het mogelijk om systematisch aandacht te besteden aan verschijnselen die tot dan toe min of meer waren 'weggemoffeld' in onderzoek, analyse en theorievorming van en over de moderne landbouw. Daarbij gaat het om verschijnselen als de grote verscheidenheid in de landbouw, de opkomst van nieuwe ontwikkelingspatronen (en daarmee de realisatie van nieuwe bedrijfsstijlen) en de voortdurende en sterk heterogene 'omvorming' van de natuur: van velden, koeien, planten en voedsel. In de nieuwe benadering werd landbouw begrepen als een bijzondere vorm van co-productie, dat is de doorgaande, sterke heterogene interactie tussen en wederzijdse omvorming van het natuurlijke en het sociale.

In 1987 werd Jan Douwe van der Ploeg uitgenodigd door Vito Saccomandi, toen hoogleraar agrarische economie en later minister van landbouw in Italie, om als visiting professor deel te nemen aan zijn team. Met de waardevolle hulp van Bruno Benvenuti, slaagden Vito Saccomandi en Jan Douwe van der Ploeg erin om te nieuwe benadering verder in economische zin uit te bouwen. De neo-institutionele benadering bleek hierbij het essenti?le instrument. Mede hierdoor kon het onderzoeksprogramma verder worden uitgebouwd en wel zo dat endogeen ontwikkelingspotentieel en techno-institutionele innovaties object van verdere studie en exploratie werden. Dit leidde tot een omvattend onderzoek in Spanje, Portugal, Italie, Nederland, Griekenland, Mexico, Kenia en Engeland,