| home | NEDERLANDS | english | espaňol | português | italiano | |

Future farms and food

The New Peasantries: een pleidooi voor boerenlandbouw

Welke landbouw heeft de wereld nodig? In The New Peasantries verkent Jan Douwe van der Ploeg de rol en betekenis van ‘peasantry’ - op zijn best vertaald als boerenlandbouw - in een tijdperk van globalisatie van landbouwmarkten en voedingsindustrie.

Louis De Bruyn

Volgens Jan Douwe van der Ploeg van de Universiteit Wageningen is landbouw een coproductie tussen arbeid en de levende natuur die in nauwe relatie staat met de samenleving. Er is sprake van een landbouwcrisis wanneer één of meerdere van deze relaties ontwricht zijn. De crisis die vandaag de landbouw treft is wereldwijd en heeft zowel economische, ecologische als sociaal-culturele dimensies die gepaard gaan met een verlies aan autonomie.

Strijd voor autonomie en duurzaamheid in tijden van empire en globalisatie

De landbouw van vandaag kenmerkt zich door een sterke industrialisering die contrasteert met een hernieuwde ontwikkeling van boerenlandbouw, een ‘repeasantisation’ zoals van der Ploeg het stelt. Deze ontwikkeling ondervindt daarbij de druk van een voortdurende uitval of stopzetting van landbouwactiviteiten, waarbij de grond niet meer voor landbouwactiviteiten gebruikt wordt.

Jan Douwe van der Ploeg omschrijft drie landbouwwijzen met elk specifieke, maar niet altijd eenduidige kenmerken: een boerenlandbouw, een ondernemerslandbouw en een kapitalistische landbouw. De categorieën lopen in elkaar over en kunnen naargelang de ontwikkeling van de bedrijfsstijl of de manier van landbouw, in één of andere richting evolueren.

Boerenlandbouw

De boerenlandbouw (peasantries) staat voor duurzaam gebruik van ecologisch kapitaal en is gericht op de verdediging en ontwikkeling van het familiaal levensonderhoud. Deze vorm is dikwijls multifunctioneel en gediversifieerd en wordt bedreven met familiale arbeid of arbeid die komt uit de landelijke omgeving. Het boerenbedrijf is voor het grootste deel familiebezit en productie is zowel gericht op de markt als op de reproductie van het bedrijf en de familie.

Ondernemerslandbouw

Ondernemerslandbouw (entrepreneurial type) is hoofdzakelijk gebaseerd op financieel en industrieel kapitaal, is gericht op expansie en gespecialiseerde productie. Deze vorm is sterk afhankelijk van markten voor toelevering en afzet, en wordt dikwijls door een staatsgestuurd ‘moderniseringsbeleid’ ontwikkeld.

In de ondernemerswijze wordt het landbouwproductieproces steeds verder ontkoppeld van de natuur en de ecosystemen waarin ze zich bevinden. Deels als een effect van de ‘artificalizering’ van het landbouwproductieproces is de ondernemerslandbouw gekenmerkt door een versterkte graad van externalisering, wat wil zeggen dat deeltaken van een eens integraal productieproces verschoven zijn naar en overgenomen door externe bedrijven en de markt.

Kapitalistische landbouw

Grootschalige ondernemings- of kapitalistische landbouw: onder druk van landhervorming was grootgrondbezit welhaast verdwenen. Onder invloed van het agro-exportmodel is het geherlanceerd en is dikwijls georganiseerd als een wijdverbreid web van afhankelijke productie-eenheden gebaseerd op loonarbeid. Deze vorm is gericht op winstmaximalisatie en beheerst grote segmenten van de landbouwmarkt.

Het centrale probleem van de landbouw ligt volgens van der Ploeg bij de opkomst van transnationale bedrijven en productiesystemen die zowel de productie, verwerking, distributie en consumptie van het voedsel beheersen.

Dit omvattend model wordt door van der Ploeg met de term empire bedacht, waarbij dit verwijst naar het overheersende regime van gecentraliseerde bedrijfsvoering gekoppeld aan een stelsel van wetten, wetenschappelijke modellen, technologieën, enz. Deze dominante ordening leidt tot ecologische en sociaal-economische uitbuiting en vernietigt ons ecologisch, sociaal en cultureel kapitaal. Enkel door een brede en hernieuwde ontwikkeling van de boerenlandbouw kan deze internationale en multidimensionele crisis gekeerd worden.

Boerenlandbouw verder omschreven

Boerenlandbouw is gedreven door autonomie en wil zoveel mogelijk vermijden afhankelijk te zijn van de markt. Dit betekent niet dat boeren geen interacties met de markt aangaan, maar wel dat ze dit veel minder doen dan de ondernemerslandbouw en de kapitalistische bedrijfsvormen.

Een boerenlandbouw werkt meer met familiale arbeid in plaats van met ‘vreemde of ingehuurde’ arbeidskrachten. Een boer kan dan bijvoorbeeld buiten het landbouwbedrijf werken om met die inkomsten nieuwe uitrusting te verwerven. Deze moet dan niet betaald worden met leningen, zodat de boer zijn productie-inkomsten niet moeten gebruiken om leningen af te betalen. Hierdoor is de drijfveer naar productiemaximalisatie minder sterk aanwezig. Een boerenlandbouw is bijvoorbeeld ook gericht op het meer zelf telen van dierenvoeder of gebruik van dierlijke mest in plaats van commerciële meststoffen.

Het ruilen van diensten en goederen tussen boeren komt hier ook meer voor. Coproductie heeft een centrale plaats, dat ziet Jan Douwe van der Ploeg als de voortdurende interactie en wederzijdse transformatie van mens en de natuur. Deze samenwerking kan tot een wederzijds voordeel leiden. Zo verbetert een boer door roterend grazen het land en de gezondheid van zijn veestapel. Maar het is de natuurlijke omgeving die bepaald waar en wanneer het vee kan ingezet worden voor een efficiënte benutting van het gras.

Hier ziet van der Ploeg een duidelijk verschil ontstaan tussen de boerenlandbouw en de andere types. Het streven naar coproductie vereist een specifieke benadering die omschreven wordt als ‘savoir faire la paysanne’ of ‘art de la localité’ waar respect en bewondering voor, en geduld met de levende natuur integraal deel van uitmaken.

De ondernemers- en grootschalige landbouw hebben hierover andere opvattingen. Hoewel natuur een onmisbaar onderdeel blijft van het landbouwsysteem - het levert immers het noodzakelijk ruwe materiaa l- is de ontwikkeling in deze landbouwwijzen eerder gericht op het voortdurend en toenemend onderdrukken van de natuur. Natuur is immers te wispelturig en oncontroleerbaar. Het sluit standaardisatie van productieprocessen uit en is daardoor een grote hinderpaal voor schaalvergroting.

Maar de boerenlandbouw staat ook niet stil. Door geleidelijk de kwaliteit en productiviteit van de belangrijkste productiefactoren (land, dieren, teelten, gebouwen, irrigatie, infrastructuur en kennis, enz.) te verbeteren en door middel van een nauwgezette afstemming van het productieproces en een continue herschikking van relaties met de buitenwereld, streven en verwerven boeren de middelen om hun autonomie en productiebasis van de boerderij te verstevigen.

Van der Ploeg wijst er tevens op dat de eindproducten zoals groenten, melk of eieren niet de enige resultaten zijn van de boerenlandbouw. In een legkippenbedrijf, zijn de kippen slechts de leveranciers van het eindproduct, de eieren. Een boer ziet zijn kippen niet enkel als eierleggers. Door te investeren in diervriendelijke stalling streeft hij ook naar gezondheidsverbetering. De dieren produceren geen afval, maar mest voor planten. De boer probeert zijn bedrijf als een geheel te verbeteren met een goede grond, gezonde dieren in een mooie omgeving. Dit vereist niet alleen kennis maar ook passie en liefde voor natuur en productie-eenheid. Het boerenbedrijf krijgt daardoor een eigen identiteit.

De boerenlandbouw is volgens van der Ploeg geen absoluut gegeven. Er zijn verschillende graden van boerenlandbouw, het gaat over een doordringbare grens tussen boeren, ondernemings-, en kapitalistische landbouw. Soms zullen ondernemers experimenteren met vormen van boerenlandbouw en zullen boeren doorgroeien of experimenteren met meer markt en ondernemergerichte bedrijfsprojecten. In de zoektocht naar een beter inkomen kunnen beide trajecten interessant lijken voor beide ondernemingstypes.

‘Repeasantization’ is het resultaat van een omschakeling van ondernemers naar boerenlandbouw of van een verdere verdieping van een boerenbedrijf naar boerenlandbouwpraktijken.

In dit tijdperk van globalisatie toont van der Ploeg met diverse voorbeelden aan hoe boerenbedrijven beter presteren dan ondernemersbedrijven.

Vele voorbeelden zijn afkomstig uit Europa, waarbij van der Ploeg stelt dat er in Europa een repeasantization plaatsvindt. Meer dan 50% van de landbouwbedrijven hebben een of andere activiteit ontwikkeld die in de richting gaat van repeasantization. Vormen van verwerking van melk, zorgboerderijen, toeristische activiteiten of thuisverkoop, … maken snel opgang. Ook omschakeling naar meer duurzaam beheer van grasland, gebruik van gras-klaver, vaste mest en compost, omschakeling naar biologische landbouw … maakt deel uit van dit repeasantizationproces. In het proces van repeasantization is het meest opmerkelijk dat het aantal boeren wereldwijd niet af- maar toeneemt.

Maar ook niet-Europese voorbeelden komen aan bod in het boek. Zo verdiept van der Ploeg zich in het voorbeeld van Catacaos in Peru, waar een lange reeks van socio-politieke strijd uitliep op een landhervorming. De ‘nieuwe boeren’ verenigden zich in Unidades Communales de Producción die een aantal gemeenschappelijke waarden ontwikkelden: autonomie, democratie; gelijke rechten voor alle leden; arbeid als enige bron van welvaart; geen uitbating van productiebronnen door mensen van buiten de gemeenschap; strijd voor al haar leden voor voorziening in basisnoden als huisvesting, gezondheid, voedsel, onderwijs en tewerkstelling; actieve inzet voor onmiddellijke en toekomstige behoeften van de jeugd; solidariteit met de volledige arbeidersklasse en nastreven van een integrale omvorming van het land. Het leven van de ganse gemeenschap is zo gebaseerd op een ‘boereneconomie’ met een grote economische autonomie. Ze is het resultaat van zelforganisatie van binnenuit gegroeid, maar met steun en verbinding met het beleid en de omgeving.

Boeren onder druk

De repeasantization is niet eenvoudig. Doorheen het boek worden voorbeelden aangehaald hoe het dominante systeem, empire, negatieven invloeden heeft op boeren en gemeenschappen. In het bovenstaande voorbeeld van Catacaoswas de externe druk onteigening van waterbronnen door een grootschalig en extern biologisch groentebedrijf dat gericht was op export naar Europa en Amerika.

Onder invloed hiervan zijn de totale productiewaarde en tewerkstelling in de streek evenals de levenskwaliteit, de voedselvoorziening en de gemeenschapsdiensten sterk teruggelopen. Een ander voorbeeld is Parmalat, een zuivelmultinational uit Italië. Van der Ploeg toont aan dat Parmalat gericht is op groei door internationale ondernemingen op te kopen met geleend kapitaal. Tegenover de groei op basis van leningen staat echter de toename van de bedrijfsschuld. In de structuur van de Parmalat holding troont Parmalat Finanziaria boven twee andere niveaus, het fysieke netwerk van productie en consumptie (basisniveau) en transport en verwerking, tweede niveau). Parmalat Finanziaria creëert bovenaan groei buiten elke waardeproductie om, naar beneden zoekt het toegang tot de goedkoopst mogelijke grondstoffen op de internationale en nationale markt en oefent het controle uit op transport verwerking en afzet. Via deze controle onttrekt het financiële niveau ‘waarde’ en ‘welvaart’ aan het productieniveau, waarbij het productie- en verwerkingsniveau worden verarmd en uitgeput. Dit veroorzaakt afbraak en ontbinding van het ecologisch, sociaal en economisch kapitaal en van het netwerk van boerenlandbouw.

Boerenlandbouw weet zich in deze vijandige omgeving echter te handhaven door eigenzinnig zijn autonomie te (her)vestigen. Van der Ploeg benadrukt daarom de hoop en de mogelijkheid om weerstand te organiseren. Het verzet ontstaat vaak van binnenuit. Van der Ploeg toont aan waarom Groene Revolutie technologie zoals High Yielding Varieties en veerassen (bv. Holstein) dikwijls verworpen worden door de boerenlandbouw. Anders dan dit als achterlijk of onaangepast te bestempelen is dit een manier om het boer zijn te beleven. Hij zegt hierover:

Instappen in afhankelijke relaties ook al lijken ze op het eerste gezicht indrukwekkend, sterk en macho wordt door boeren dikwijls op wantrouwen onthaald, wantrouwen tegenover nieuwlichterij en zijn onmiddellijke verleidingen. De eerste kennismaking is in bijna alle boerenculturen verdacht of het nu in ontwikkelingslanden of in hoog ontwikkelde landen is. Het onmiddellijke beeld wat flashy of macho is, betekent te nemen of te laten, aanvaarden van de waarde op het eerste gezicht. In boerentaal rijst voortdurend de vraag ‘wat zit er achter?’. Is een hoog productief ras ook bruikbaar in mijn lange termijn afzetsysteem? Heeft een hoogproductieve koe een plaats in een zorgvuldig uitgebalanceerde fokstrategie en in de relaties met mijn zorgvuldig opgebouwd netwerk met andere boeren die ‘nieuw bloed’ kunnen inbrengen. Of heeft het te maken met de hoge aanschafkosten van jongvee, hoge kosten van dure krachtvoeders, hoge veeartsenkosten en de korte levensduur?

De weerstand van boeren gebeurt niet individueel. Boeren organiseren zich en creëren ruimte voor zichzelf en voor relevante stakeholders die samen met hen de banden tussen landbouw, natuur en samenleving terug willen aanhalen.

Deze samenwerking creëert robuustheid en weerstand van binnenuit om het nieuwe boeren te grondvesten en uit te bouwen. The New peasantries is een verhaal van hoop op de toekomst dat zijn kracht put uit de weerstand en de herleving van de boerenlandbouw van vandaag. Het is een verhaal van transitie in een wereldwijde paradigmashift.

De auteur Louis De Bruyn is lid van Terra Reversa

Deze tekst is een bijdrage voor het colloquium Future Farms and Food The New Peasantries verscheen in 2008 bij Earthscan
Louis De Bruyn

NIEUW
Publikaties kunnen besteld worden
(indien voorradig) bij:
De Leeuwenborch
kamer 313
Hollandseweg 1
6706 KN Wageningen
tel: 0317 - 48 45 07
fax: 0317 - 48 54 75

Jan Douwe van der Ploeg
Professor of Transition Processes in Europe
Wageningen University
the Netherlands and Adjunct Professor of Rural Sociology
College of Humanities and Development Studies
China Agricultural University, Beijing, China.
e-mail: klik hier