| home | NEDERLANDS | english | espaňol | português | italiano | |
Home · THE NEW PEASANTRIES · DEBAT · dubbelinterview met Rabbinge

dubbelinterview met Rabbinge

“Met de verkeerde theorieën zijn gewoon brokken aangericht”, zo laakt Jandouwe van der Ploeg het Wageningse Model. Rudy Rabbinge ontkent het bestaan ervan en prijst de concurrentiekracht van de Nederlandse agrosector. Wageningen UR lijkt brokken op te lopen nu de richtingenstrijd zich verscherpt. Een dubbelinterview.

Qua duurzaamheid en milieu wint de plofkip. Supermarkten die gehoor geven aan 'anti-veehouderijclubs' als Wakker Dier en de plofkip uit de schappen halen, spannen dus het paard achter de wagen. De landbouw moet juist nog veel intensiever. Aalt Dijkhuizen kreeg met dit soort uitspraken een golf van protest over zich heen. Maar hij neemt zijn woorden niet terug. Integendeel. Op de Nevedi-website deed hij er nog een schepje bovenop: “De landbouw moet wereldwijd juist hoogproductiever en intensiever worden, anders sturen we aan op een tekort aan voedsel.” Hoog tijd om hem eens direct in gesprek te laten met zijn grootste criticaster, Jandouwe van der Ploeg. De hoogleraar die daarop zal repliceren dat we juist de kleinschalige boerenlandbouw moeten koesteren. Een landbouw die boeren en de factor arbeid zwaarder laat wegen dan economische efficiëntie. Al was het maar om de verstedelijking een halt toe te roepen. En wanneer wetenschap en onderzoek daar meer op zouden focussen, kan die kleine boer op een duurzame manier heel wel de productie flink verhogen.

Maar Aalt Dijkhuizen wilde het gesprek niet aan. Hij vond het niet gepast, vanwege de arbeidsverhoudingen. “Hij de voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen UR, dus hij is in feite de baas van Van der Ploeg”, liet zijn woordvoerder telefonisch weten. Van der Ploeg noemt deze verklaring merkwaardig. “Dat is een gedachtegang die behoort afwezig te zijn op een universiteit”, zegt hij. En: “Ik ben door de Koningin benoemd. Dat is om onze onafhankelijkheid te waarborgen.” De voorlichter kwam zelf met een alternatief voor Dijkhuizen: Rudy Rabbinge, gepensioneerd hoogleraar productie-ecologie. Hij is het op dit punt volledig eens met Van der Ploeg: “Dijkhuizen is helemaal niet onze baas. We zijn geen bedrijf en onze universiteit kent geen presidentieel model zoals in Amerika. Een voorzitter van de raad van bestuur moet ervoor zorgen dat de pennen op tijd geleverd worden, dat het salaris wordt betaald en dat de verwarming het doet. Dat is zijn functie. Hij is dienend.”

Rabbinge geldt als de éminence grise van Wageningen UR. Daarmee is hij minstens zo’n groot zwaargewicht als Dijkhuizen. En ook hij kwam onlangs met felle, controversiële uitspraken in het nieuws. Op Radio 1 noemde hij het immoreel ‘als je arme mensen in arme landen gaat aanpraten dat biologische landbouw de weg is naar voedselzekerheid’. Biologisch geeft wat hem betreft niet meer dan een ‘geluksgevoel’. Maar wie nu denkt dat Rabbinge op één lijn zit met Dijkhuizen, heeft het mis. “Dijkhuizen polariseert”, zegt hij in het universiteitsblad Resource. “Intensief is een beladen woord, het is in invloedrijke kringen bijna synoniem met slecht.” Hij vreest zelfs voor het imago van Wageningen Universiteit.
De stelligheid van Dijkhuizen is ook iets dat Van der Ploeg verbaasd: “Hij zoekt heel duidelijk de polemiek en de polarisatie. Voor de voorzitter van een pluralistische universiteit geeft dat weinig pas”, vindt hij. En in de stelligheid van die uitspraken ziet hij een teken van zwakte. “Het weerspiegelt de benauwdheid waarin de Nederlandse agro-industrie dreigt te verzeilen.”
Zo ver zal Rabbinge niet gaan in zijn uitspraken. Wel stelt hij dat Dijkhuizen zich verre moet houden van polarisatie. “Het merendeel van de hoogleraren is het daar wel over eens. Hoewel ik vind dat een aantal hoogleraren ook polariseert.”
Zelf kan hij er ook wat van. Op Radio 1 stelde hij: ‘dogma’s als het verbieden van gmo’s, kunstmest en bestrijdingsmiddelen, zoals de biologische landbouw die heeft, zetten het denken stil’. Zelf noemt hij dit geen polarisatie. Als een van de eersten die onderzoek naar biologische landbouw heeft mogelijk gemaakt binnen Wageningen, heeft hij het volste recht kritisch te zijn over de biologische landbouw: “Nog voor er een leerstoel was, in de jaren 70, wilden er studenten onderzoek doen naar een landbouw zonder kunstmeststikstof. Dat was de voorloper van de biologische landbouw. Er was een maatschappelijke vraag en wetenschappelijk was het een enorme uitdaging. Maar de ratio achter het niet willen gebruiken van kunstmest en pesticiden ontgaat mij. Als je zegt ‘het is goed voor het milieu, het is goed voor de gezondheid’; dat zijn claims die niet deugen.”

Ze zijn zeer joviaal in de omgang, de twee hoogleraren. Haast vriendschappelijk. Ze maken het gezellig. Rabbinge trakteert op koekjes bij de koffie en Van der Ploeg heeft snoepjes bij zich. Toch kiest Van der Ploeg een veilige aanvliegroute voor zijn kritiek, door voorop te stellen dat veel werk van Rabbinge en de zijnen één van de pilaren is waar Wageningen Universiteit op rust. “Dat gezegd hebbende, denk ik dat het Wageningse Model, de intensieve, hoogtechnologische landbouw, over de houdbaarheidsdatum heen is. We hebben nu een ommekeer nodig. Met onderzoeksvragen die uitgaan van de sociaal-culturele behoeften van de maatschappij.” Het Wageningse Model is nu te veel ‘one size fits all’, stelt hij. “We zijn nu heel sterk toe aan locatiespecifieke kennis. Wat in Nederland past, hoeft in Brazilië of in Indonesië niet te passen. En wat in Drenthe geschikt is, kan heel anders zijn dan wat in Friesland geschikt is. De tijd van grote uitspraken als ‘dit is goed’ en ‘zo moet het’ is voorbij.” “De context is uiterst belangrijk”, vindt ook Rabbinbge. Toch is dit het punt waar de schoen wringt. Een waterscheiding tussen de opvattingen binnen Wageningen Universiteit. Jandouwe laakt het Wageningse Model, Rabbinge ontkent het bestaan ervan. Want op zijn uitspraak “De context is uiterst belangrijk”, volgt direct een maar: “Maar de hoogproductieve landbouw is wel degelijk belangrijk.” In Wageningen is niet één dominant model, stelt de emeritus hoogleraar, “Wat wel Wagenings is, is dat wetenschappers kennis en inzicht gebruiken. Maar de doelen kunnen verschillen.”

De doelen van de hoogleraren kunnen verschillen. Maar ook de idealen van politici, opiniemakers en lobbyisten. En wie deze intenties als uitgangspunt neemt, vindt altijd wel een passend onderzoek. Er is onderzoek dat aantoont dat hoogproductieve landbouw met zoveel mogelijk input van energie, het meest efficiënt is. Tegelijkertijd verschijnen er steeds vaker geluiden vanuit de wetenschap waaruit blijkt dat juist in ontwikkelingslanden met biologische methoden van compostering en bemesting een hogere productie te behalen valt dan met kunstmest.
“Waarop dat gebaseerd is weet ik niet”, zegt Rabbinge dan. Maar Van der Ploeg komt meteen met de naam van Jules Pretty. “Zijn uitgebreide publicatie toont aan dat juist in derdewereldlanden de opbrengst van biologische landbouw hoger ligt dan conventionele, terwijl dat in het westen meestal andersom is.”
Rabbinge kent het rapport, maar wil wel beklemtonen dat we héél voorzichtig moeten zijn met het achterwege laten van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. “We moeten niet ongelimiteerd met kunstmest strooien, maar geavanceerde methoden hebben zeker toekomst.” Maar is wetenschap dan niet ook een soort geloof? Wie zijn opvattingen onderbouwd wil zien, vindt altijd wel een rapport om het eigen gelijk aan te tonen. Rabbinge: “Hoogleraren hebben een ongelofelijke verantwoordelijkheid om naar eer en geweten, maar ook toetsbaar en verifieerbaar de resultaten naar buiten te brengen. Ze mogen geen dingen verzinnen.” Waarop het gesprek op Diederik Stapel komt die fraudeerde met onderzoeksgegevens. “Dat is zo ongelofelijk slecht. Niet alleen voor de betrokkenen, maar het werkt voor de hele wetenschap als een schandvlek. En als jij dan zegt: wetenschap is een kwestie van geloof; de een beweert dit en de ander beweert dat… Nou, dat is precies wat we moeten trachten te voorkomen.” Gaat het om inhoudelijke inzichten, dan staan Rabbinge en Van der Ploeg lijnrecht tegenover elkaar. Gaat het om de wetenschap, dan zijn ze elkaars gelijke. Van der Ploeg: “Akritisch oppikken wat het ene deel van de wetenschap zegt en net zo akritisch weerleggen wat een ander deel zegt is vrij dom. Je hebt het over situaties zoals die zich op één plek voordoen. Je hebt het over andere empirische realiteiten. Men gebruikt andere methodes, of men kijkt niet naar wat is, maar wat zou kunnen.”
Hij noemt een voorbeeld en duikt dus direct de materie in: “Neem bodemvruchtbaarheid. Heb je daar nu werkelijk altijd kunstmest voor nodig? Nee. Er is een brede waaier aan technieken om die bodemvruchtbaarheid te verbeteren. Eén daarvan is kunstmest. Maar in allerlei situaties kan het ook anders.”
En hij gaat door: “Is het zo dat de hoog intensieve landbouw de meest duurzame is? Volgens de modellen zou dat zo zijn. Maar volgens al ons empirisch onderzoek is het in Nederland net niet zo. In de melkveehouderij bijvoorbeeld hebben de meest productieve bedrijven het hoogste stikstofoverschot per 100 kg meetmelk.”

De boodschap die een universiteit naar buiten brengt heeft erg veel invloed. Van der Ploeg meent dat Wageningen Universiteit zich dat te weinig beseft. “Wageningen heeft de afgelopen twintig jaar eindeloos gezegd: ‘boeren vergroot je bedrijven. Er zijn in de toekomst maar een paar winnaars.’ En nu zit je met de brokken. Nu zit je met grote, snel gegroeide bedrijven met hoge financieringslasten. En die zijn extreem kwetsbaar. Je ziet dat het misgaat. en dat effect komt mede uit Wageningen.”
En zo is er ook vanuit Wageningen richting de agribusiness gezegd: ‘alleen die in het rijtje van vijf grootsten voorkomen, gaan het redden.’ “Dat heeft tot heel snelle overnames geleid. Kijk naar Vion. Met de verkeerde theorieën zijn gewoon brokken aangericht.” Het woord brokken gaat Rabbinge wat ver. De concurrentiekracht van de Nederlandse agrosector kunnen we immers niet wegpoetsen. “De top tien van de 300 Nederlandse bedrijfstakken telt er acht uit de agribusiness. Dat zijn sectoren als zaaizaad en pootgoed, bloemen en bloembollen, de melkveehouderij, kalvermesterij en laanbomen. Niet de varkenshouderij. Die heeft te veel op één koers gevaren; op kostenminimalisatie en schaalvergroting. In andere bedrijfstakken is dat veel minder, dus het is een karikatuur om te zeggen dat het overal hetzelfde is.” Jandouwe benadrukt het agro-ecologische aspect en de belangrijke functie van de kleine boer, Rabbinge hamert juist op het bedrijfseconomische aspect en het belang van een concurrerende agribusiness. Maar als we bij Wageningen Universiteit blijven. Waar moeten we dan naartoe met het onderzoek en de wetenschap? Rabbinge wijst op het belang van de veelkleurigheid: “We zijn niet Henry Ford. We zijn niet in één kleur leverbaar en dat is zwart. Wat dat betreft ben ik het wel met Jandouwe eens. De variatie moet je koesteren. De biologische landbouw moet je dus ook ontwikkelen. Maar het wil niet zeggen dat dat de toekomst is. Nee. Het heeft toekomst voor hen die ervoor willen betalen en zich er gelukkig bij voelen.”

Voor wie ervoor wil betalen. Dat verwijt komt ook vaak op Wageningen af. Tijdens een debat waarin hij het belang van goede onderzoeksvragen benadrukte, liet Dijkhuizen zich onlangs nog ontvallen: ‘Als de vragen goed en relevant zijn, dan is er zeker iemand die ervoor betaalt.’ In hoeverre laat het onderzoek zich inspireren, leiden en betalen door het bedrijfsleven? Rabbinge vindt het “hartstikke goed dat we contact hebben met het bedrijfsleven. Maar het is gelukkig niet zo dat wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Dat zou het einde van een wetenschappelijke instelling zijn. Je moet altijd je onafhankelijkheid bewaren, altijd kritisch blijven en altijd in staat zijn te publiceren, ook als het de opdrachtgever onwelgevallig is.”
Toch is van een volledige onafhankelijkheid niet helemaal sprake, meent Van der Ploeg. “Ze staan natuurlijk niet met een pistool op je gericht. Maar er bestaat een hele serie aan subtiele mechanismen die de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek doet buigen naar bepaalde belangen.”
Zo is het ook van belang om te kijken wat in Wageningen niet onderzocht wordt. Van der Ploeg: “Anderhalf miljard mensen in de wereld moeten rondkomen van minder dan een dollar per dag. Van hen woont 70% op het platteland. Dat zijn kleine boeren voor wie we uitwegen moeten vinden omdat zij onmogelijk in steden kunnen absorberen. Wat kun je doen voor die kleine boereneconomie? Hoe kun je ervoor zorgen dat zij meer gaan produceren, meer gaan investeren, dat ze hun producten kunnen afzetten, dus dat er van een geleidelijk ontwikkeling sprake is?” Die vraag wordt overal gesteld, weet de hoogleraar. Ook binnen de FAO. “Rudy weet er alles van. Er is bitter weinig kennis en er wordt ook bitter weinig onderzoek op dit punt gedaan.”
Vraag je hem dan hoe dat komt, dan komt hij toch terug op Model Wageningen. “Het Wageningse Model is hoogproductieve landbouw, teelttechnisch hoog gekwalificeerd. Dat richt je dan op de vruchtbare delta’s, met veel kunstmest en dus veel energie. Op z’n best kun je dan hopen op een kleine trickle down naar de kleine boeren, maar dat blijkt niet uit te komen. Integendeel: die hoogproductieve landbouw concurreert heel veel kleine boeren finaal van de sokken.”

Rabbinge meent echter dat er juist veel onderzoek naar de kleine boeren is gedaan. “Maar het gaat erom dat we de keuter niet koesteren, maar helpen ontwikkelen. Dat is ook de reden waarom we de Alliantie voor een Groene Revolutie voor Afrika (AGRA) hebben opgericht. Dat was vanwege het achterblijven van de primaire landbouw, waardoor de honger toenam en, zoals Jandouwe terecht stelt: die honger zit voornamelijk op het platteland. “Ik heb leiding gegeven aan een VN-commissie die geanalyseerd heeft waarom Afrika geen Groene Revolutie heeft gekend. We zijn met een hele serie aanbevelingen gekomen.” Hij somt op: Agrotechnologie, toegesneden op de specifieke behoeften en specifieke gewassen; trainingen en opleidingen; het ontwikkelen van instituties en markten en kredieten en financieringsregeling. “Maar we moesten ook de politieke wil bewerkstelligen. Het doet raar aan wanneer agrarische naties waar honger heerst niet in de landbouw investeren. Dat was achterwege gebleven, en dat moet ik Jandouwe meegeven, mede door adviezen van wetenschappers van de Wereldbank die uitsluitend vanuit een bedrijfseconomisch model redeneerden en niet vanuit de maatschappelijke behoeften of maatschappelijke doelen.”
“We sluiten daarbij aan bij de kleine boeren. Niet om ze klein te houden, maar om ze te helpen ontwikkelen. Die kleine boeren willen niet van een halve naar een kwart hectare, die willen juist groeien. En je moet je realiseren dat ontzettend veel boeren een areaal hebben van minder dan twee hectare.”

Van der Ploeg wil hier graag een andere aanpak tegenoverstellen. Een aanpak die in eerste instantie draait om het versterken van boerenorganisaties en ten tweede om een zo agro-ecologisch mogelijke manier werken. “Dus zo weinig mogelijk externe inputs gebruiken, maar de efficiëntie van de eigen hulpbronnen opvoeren. Daar kun je in heel wat situaties een heel eind mee komen.” Als derde middel wordt een nieuw marktkanaal ontwikkeld, als het ware een bypass om de agro-industrie en de supermarkten heen. Met nieuwe markten waar boeren en consumenten elkaar treffen.
Wanneer het om het beïnvloeden van de politiek gaat, dan wil Van der Ploeg liever op nationaal en internationaal niveau pleiten voor voedselsoevereiniteit. “Deze aanpak heeft lange historische wortels en wordt volop uitgeprobeerd en heeft een aantal hele duidelijke succesnummers, bijvoorbeeld in China. De armoede in de landbouw is daar teruggegaan van 70 procent naar 2 procent van de boerenbevolking. Terwijl in Afrika, waar het westen graag het ontwikkelen oefent, gedurende dezelfde veertig jaar de armoede juist gestegen is. “De aanpak die Rudy schetst, is misschien goed voor de landbouw, maar is het ook goed voor de boeren zelf? Voor hun bedrijf, voor de continuïteit van hun bedrijven, voor hun inkomen. En hoe ziet het eruit op het snijvlak van landbouw en bredere samenleving? Het mag modelmatig dan wel gunstig zijn, maar je moet je ook afvragen of de maatschappij bepaalde zaken nog wel accepteert.”

Tot dat moment was het een zeer amicaal gesprek. Maar nu wordt Rabbinge toch een beetje kribbig. Hij vindt de uitspraken niet terecht. “Je doet net, Jandouwe, alsof ik alleen maar met één model bezig ben. Ik vindt dat nu toch langzamerhand ontzettend vervelend worden.” Jandouwe verexcuseert zich: “Ik bedoel het niet persoonlijk tegen jouw”, maar Rabbinge gaat verder: “Modellen zijn voor mij een soort hulpmiddel. Ik heb altijd de maatschappelijke doelstellingen als uitgangspunt genomen. En ik heb mijn kennis en inzichten zo goed mogelijk gebruikt om die te realiseren. Daarom zijn we ook zo succesvol. We zijn erin geslaagd om de stikstofefficiëntie in de melkveehouderij in de vijftiger jaren - 0,25 was die – te laten stijgen tot boven de 0,75. Dat betekent ook voor het inkomen van de boer wel wat, want je bent veel zuiniger bezig.
“En ik heb dus niet één model. In Friesland is het anders dan bijvoorbeeld in Ghana. De context is het uitgangspunt en je kijkt naar de doelen die je na wilt streven. En dan heb ik niet één oplossing voor alle problemen. Als het agro-ecologische systeem dan voorschrijft zo weinig mogelijk inputs te gebruiken, dan vraag ik: waarom? Het gaat niet om zo weinig mogelijk inputs, het gaat om een zo hoog mogelijke efficiëntie. Het zou op goede gronden best kunnen dat je weinig inputs nodig hebt om een hoge efficiëntie te realiseren. Maar in slechte gronden heb je relatief veel nodig. Het is naar gelang de situatie dat je een ander optimum vindt. Dat is wat ik propageer. En niet ‘one solution fits all’. Modellen kunnen je hulp bieden bij het krijgen van inzichten, maar die kun je niet gebruiken om te zeggen: ‘zo en zo moet het’. Je moet nooit je verstand uitschakelen.”
“Dat is de reden waarom ik de laatste veertiger jaar zo succesvol ben geweest. Kijk naar wat we gerealiseerd hebben op het gebied van het de geïntegreerde bestrijding van ziekten en plagen; op het gebied van precisielandbouw en wat we ook nu in Afrika realiseren met AGRA. Als je daar komt word je ongelofelijk verwelkomd door boerenorganisaties.” Waarop hij nog eens het belang van de vrouw benadrukt. “boerenorganisaties zijn vaak vrouwenorganisaties.”
Daarop wil die andere hoogleraar met heel wat tropenervaring nog wel een duit in het zakje doen: “Ik denk dat er binnen deze universiteit Rudy, heel veel mensen zijn die betrokken zijn geweest bij uiteenlopende ontwikkelingen in de wereld, maar dat we geen van allen vanuit die betrokkenheid kunnen zeggen: ‘en dus heb ik gelijk. En dus mag een ander mij niet bekritiseren.”
En daar kan Rabbinge het niet mee oneens zijn. “Het zou raar zijn als je geen kritiek op iemand mag hebben. Op een universiteit ben je altijd uit op dialoog en kritische vragen. Anders is het geen universiteit meer maar een kerk. Daar heb je een gezamenlijk geloof, dat beleid je met z’n allen, daar doe je je hersenen uit want je bent met geloof bezig. “In een kennisinstelling telt macht niet, maar wel autoriteit. Autoriteit komt te voet en gaat te paard. Het komt met goeie argumenten, goeie analyses, goeie diagnoses en goeie aanbevelingen. En als je één fout maakt dan lig je eruit.”

En als je dan heel stellige uitspraken doet, zoals de bestuursvoorzitter. Is dat zo’n fout? Rabbinge: “We hebben natuurlijk twee extremen. Jandouwe die heel stellig is in z’n opvattingen en Aalt Dijkhuizen die heel stellig is in z’n opvattingen. Ik probeer iedere keer de nuance te bewaren. Ik kan met Aalt Dijkhuizen goed praten, ik kan met Jandouwe goed praten. Waarom? Ik probeer me te verplaatsen in hun uitgangspunten en geloofsovertuigingen. Aalt Dijkhuizen heeft een heel nadrukkelijke bedrijfseconomische geloofsovertuiging. Ik vind dat te simpel. Ik vind dat dat geen recht doet aan de pluriformiteit in deze organisatie en ook niet aan de verworvenheden die op het gebied van kennis en inzichten tot stand zijn gebracht.”

Marc van der Sterren



www.jandouwevanderploeg.com
NIEUW
Publikaties kunnen besteld worden
(indien voorradig) bij:
De Leeuwenborch
kamer 313
Hollandseweg 1
6706 KN Wageningen
tel: 0317 - 48 45 07
fax: 0317 - 48 54 75

Jan Douwe van der Ploeg
Professor of Transition Processes in Europe
Wageningen University
the Netherlands and Adjunct Professor of Rural Sociology
College of Humanities and Development Studies
China Agricultural University, Beijing, China.
e-mail: klik hier