| home | NEDERLANDS | english | espaňol | português | italiano | |
Home · VIRTUELE BOER · agrarische pers · Agr. Onderwijs (2)

Agr. Onderwijs (2)

4, 1/3/2000, pagina 18-21

Boek Jan Douwe van der Ploeg roept op tot discussie en debat , door Kees Verhaar en Marianne van der Schilden Agrarisch onderwijs - virtueel onderwijs -

In 'De virtuele boer' stelt professor Jan Douwe van der Ploeg de afstand tussen het agrarisch kennissysteem en de praktijk van het boerenbestaan aan de orde. Die afstand maakt, dat experts en beleidsmakers zich een toekomstbeeld vormen dat op grote afstand staat van de ontwikkelingen in de agrarische werkelijkheid. Zij hebben geen zicht op boeren van vlees en bloed, maar denken zich een virtuele boer in. In het boek doet Van der Ploeg verschillende dingen. Hij vat zijn inzichten zoals hij die in een jarenlange onderzoekspraktijk heeft opgedaan samen. Die inzichten zijn vervolgens de basis voor de door hem bepleite koers voor het boeren in Nederland. Dat alles gaat gepaard met een scherpe kritiek op het huidige functioneren van het expertsysteem. In dit artikel staat de vraag centraal hoe het agrarisch onderwijs om moet gaan met de inzichten en standpunten die aan de orde komen in 'De virtuele boer'

Marianne van der Schilden en Kees Verhaar zijn als onderzoeker werkzaam bij respectievelijk het IMAG en Stoas Onderzoek.

Er zijn verschillende redenen waarom wij de vraag naar de betekenis van dit boek voor het agrarisch onderwijs stellen. Een daarvan heeft te maken met het feit dat het agrarisch onderwijs e'pliciet als opdracht heeft om als ondernemersopleiding te functioneren. Diverse ministeries (EZ, LNV) alsook de belangenbehartiging (LTO Nederland, ZLTO) stellen bovendien dat voor een succesvolle toekomst zwaarder op het agrarisch ondernemerschap moet worden ingezet. Van der Ploeg lijkt echter een tegengestelde opvatting te hebben. Hij keert zich fel tegen wat hij de ondernemersideologie noemt. Dat dwingt tot reflectie. Wat betekent dit debat over het agrarisch ondernemen voor boeren en tuinders - En op wat voor manier dient het ondernemerschap een plaats te krijgen in het agrarisch onderwijs - Dit zijn vragen die beantwoord moeten worden in 'Het Geheim van het Ondernemerschap', een door ons te coördineren project waarin o.a. IMAG, STOAS Onderzoek, het Proefstation voor Bloemisterij en het Praktijkonderzoek Veehouderij samenwerken. Een andere reden is, dat het agrarisch onderwijs op de 428 bladzijden die het boek telt vrijwel ongenoemd blijft. Zou dat inhouden dat het agrarisch onderwijs in de ogen van Van der Ploeg nog slechts een virtuele plaats heeft in de toekomst van agrarisch Nederland - Van der Ploeg baseert zijn argumenten op de kennis die hij zich als onderzoeker in de praktijk heeft eigen gemaakt. Die kennis gaat overigens ver terug in de tijd. In het verleden ontwikkelde inzichten vormen ook een belangrijk element in het denken van Van der Ploeg. Door de tijd heen hebben mensen normen en waarden ontwikkeld met betrekking tot 'het boeren'. Die normen en waarden hebben te maken met de positie die een boer ten opzichte van de markt in kan nemen en met het ontwikkelen en gebruik maken van eigen hulpbronnen ('resources') – met andere woorden: met het streven om een zo onafhankelijk mogelijk, zo men wil 'vrije', positie in het economisch krachtenveld te bezetten. Van der Ploeg maakt niet alleen gebruik van historische bronnen (bijvoorbeeld het memoriaal van een 16e-eeuwse boer), hij illustreert de opvattingen van boeren ook met behulp van literair werk en met de normatieve uitspraken over de boerenpraktijk die hij aantrof op het Frysk Boerenkwartet (dit spel stamt uit de jaren vijftig van de vorige eeuw).

Bedrijfsstijlen
Eén en ander wil overigens niet zeggen, dat de door Van der Ploeg in de loop der jaren onderzochte boeren er allemaal eenzelfde aanpak op nahouden. Integendeel, zo treft hij onder de Friese melkveehouders een zevental bedrijfsstijlen aan. Zo'n bedrijfsstijl omschrijft hij als 'een mode of ordening: een samenhangend geheel van strategische noties dat het praktische handelen aanstuurt' en als 'een specifiek model voor het verwerven van een inkomen' (p. 121 van het boek). Nadrukkelijk wijst hij erop, dat zo'n stijl niet als een statisch geheel moet worden gezien – binnen stijlen zijn er namelijk weer variaties die tot stand komen doordat boeren verschillend reageren op uiteenlopende condities. In de kern gaat het Van der Ploeg om het eigen handelen van boeren en tuinders. Hij voert het wikken en wegen van diverse boeren ten tonele om te laten zien dat, in de woorden van één van hen, 'elk bedrijf zo zijn eigen beleid heeft'. Tegelijkertijd wordt voorgerekend wat de verschillen in bedrijfsuitkomsten zijn tussen de diverse bedrijfsstijlen. Natuurlijk wordt het handelen van die boeren mede bepaald door geschiedenis, normen en waarden – maar het is in ieder geval niet zo dat automatisch de koers wordt gevolgd zoals die door het beleid wordt voorgehouden als enige juiste optie. Dát is ook de verklaring voor het feit dat het zogenaamde modernisatieproject niet geleid heeft tot een praktijk waarin uitsluitend grootschalige en intensieve bedrijven worden aangetroffen. Tegelijkertijd ligt daar de wortel van het debat dat Van der Ploeg voert met het kennissysteem. Het kennissysteem heeft in het verleden immers die modernisatiestrategie van met name schaalvergroting sterk gepropageerd. Dat bleek niet te stroken met het strategisch handelen van de boeren in de praktijk, hetgeen uiteindelijk geleid heeft tot een verloren gaan van hun vertrouwen in datzelfde kennissysteem. De afstand tussen praktijk en kennissysteem is volgens Van der Ploeg inmiddels zo groot, dat de laatste de strategische vernieuwing zoals die met name in de plattelandsvernieuwing tot stand komen frustreert in plaats van ze te onderkennen en te ondersteunen.

Ondernemerschap
Begrippen als 'zuinige boeren', 'fokkers' of 'koeienmensen' komen snel op tafel tijdens gesprekken met boeren. Het is een belangrijke verdienste van dit boek, dat hier een samenhangend en rijk geïllustreerd overzicht van het bedrijfsstijlenonderzoek wordt gepresenteerd. In onderwijstermen heeft Van der Ploeg daarmee een uitstekend lesboek geschreven, waarbij de waarde niet alleen zit in de weergave van de door hem en zijn collegae middels praktijkonderzoek verzamelde inzichten maar óók in de uitdaging aan de lezer om over die inzichten na te denken en zich een eigen opinie te vormen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Van der Ploeg's bezwaren tegen het ondernemersbegrip. Kennelijk is hij van mening, dat door het modernisatieproject met zijn pleidooi voor één bepaalde manier van boeren het begrip 'ondernemer' besmet is geraakt. Tegelijkertijd laat hij, zowel in zijn algemene schets van bedrijfsstijlen als in de concreet door hem aangehaalde voorbeelden, zien dat er tal van boeren zijn die in staat zijn om, vaak ondanks het modernisatieproject, een inschatting te maken van de positie en de mogelijkheden van het eigen bedrijf. Die boeren geven in onze ogen juist wel blijk van goed ondernemerschap door die inschatting vervolgens te vertalen in een op eigen omstandigheden en voorkeuren afgestemde strategie.

Verdelen
Het is geen nieuws dat Van der Ploeg bezwaar heeft tegen het modernisatieproject zoals zich dat in het verleden heeft ontrold. Dat bezwaar strekt zich ook uit tot een voortgaande inzet op schaalvergroting voor de nabije toekomst. Lang heeft hij gedacht, dat afhankelijk van lokale en regionale omstandigheden schaalvergroting en andere strategieën in Nederland naast elkaar konden bestaan. Inmiddels is hij tot een ander stanspunt gekomen. Dat standpunt laat zich samenvatten in zijn pleidooi voor (een combinatie van) zuinig boeren en plattelandsontwikkeling. Daarbij merkt hij op dat, onder de vlag van plattelandsontwikkeling, allerlei opties open staan. Die opties worden bepaald door de conte't waarin een bedrijf opereert. Daarbij gaat het om de voorkeuren van de boer of tuinder, zijn partner en om de directe omgeving (zowel sociaal-economisch als ruimtelijk, met name voor wat betreft het landschap) waarin die mensen hun bedrijf voeren. Nadrukkelijk keert Van der Ploeg zich tegen de megabedrijven, die hij ziet als de uiterste consequentie van een doorzettende schaalvergroting. Een belangrijke reden voor hem om dit standpunt in te nemen, is de verdelingskwestie. Wanneer één boer een naar verhouding groot beslag legt op het totaal beschikbare quotum aan bijvoorbeeld liters, verdringt hij daarmee een groot aantal anderen ui de sector. Bovendien associeert Van der Ploeg megaboeren met negatieve zaken als industrie, vervuiling en dieronvriendelijkheid, terwijl grote bedrijven ook niet in het landschap zouden passen. Op dit punt onderschat Van der Ploeg de maatschappelijke antenne, en ook de persoonlijke betrokkenheid, van de groep boeren die onlangs door Stoas Onderzoek als 'mega' is getypeerd. Die boeren willen namelijk nadrukkelijk wèl rekening houden met door de samenleving gestelde randvoorwaarden op het vlak van dierenwelzijn en duurzaam produceren. Maar, zo zal hij tegenwerpen, zelfs als 'groot' of 'mega' en de maatschappelijke randvoorwaarden samen kunnen gaan, dan nog past hier geen 'license to produce' vanwege de wens het quotum over meerdere boeren en tuinders te verdelen. Feitelijk verlangt Van der Ploeg dat de samenleving bepaalt dat binnen de agrarische sector andere regels gelden dan in de rest van ons land. Binnen de detailhandel hebben wij immers wèl een ontwikkeling geaccepteerd waarbij de grootgrutter de kleine kruidenier, groenteboer en bakker verdrong (vaak overigens ten koste van de leefbaarheid van het landelijk gebied).

Kloof
'De virtuele boer' heeft in de media ruim aandacht getrokken vanwege Van der Ploeg's verwijten aan het agrarische expertsysteem. Met name het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, maar ook het universitaire wereldje in Wageninngen en de diverse kennisinstellingen wordt verweten het contact met de praktijk verloren te hebben. Dat vertaalt zich in een volstrekte teloorgang van het vertrouwen tussen boeren en het expertsysteem, met LNV en 'de politiek' voorop. Van der Ploeg presenteert allerlei, vaak door hem persoonlijke meebeleefde, voorbeelden om dit verwijt te schragen. Het is op deze plaats niet mogelijk om op al die voorbeelden in te gaan. Wèl valt ons in persoonlijke contacten met boeren en tuinders op, dat zij inderdaad nogal eens een grote afstand beleven. Daarmee is Van der Ploeg's betoog in ieder geval een uitdaging om die kloof te dichten. Die uitdaging geldt ook voor het agrarisch onderwijs. Dat onderwijs speelt, opvallend genoeg, nauwelijks een rol in 'De virtuele boer'. Wellicht dat het onderwijs valt onder de scherpe kritiek die Van der Ploeg heeft op de LNV-directie Wetenschap en Kennisoverdracht (zie bijvoorbeeld p.456) - In ieder geval, zou het zeer pijnlijk zijn als het agrarisch onderwijs inderdaad geen voeling had met de praktijk van boeren, een grote gemiste kans. Bijvoorbeeld omdat je zou verwachten dat de boerenzoons en –dochters die het onderwijs bezoeken met hun persoonlijke kennis en ervaring het onderwijs een direct zicht bieden op de veelvormige praktijk van het agrarisch ondernemen. Natuurlijk zijn er wel vernieuwingstrajecten die al zijn ingezet (zie bijvoorbeeld het in 'Agrarisch Onderwijs' van 8 december 1999 besproken KOMPAS-project), maar het agrarisch onderwijs kan het zich niet permitteren om op grond van die trajecten de kritiek op het kennissysteem naast zich neer te leggen. In lijn met Van der Ploeg wijzen wij er op dat het risico dat het ondernemersonderwijs slechts 'virtuele boeren' aflevert groot is. Maar wij vinden bovendien, dat het gevaar bestaat dat dit risico nog wordt onderschat. Dat komt omdat het boek zich concentreert op de boeren en tuinders. Maar hebben in een moderne samenleving de werknemers geen inbreng en medeverantwoordelijkheid voor het functioneren van bedrijven - Juist waar óók de werknemer van morgen steeds meer ondernemer moet zijn, pleiten wij voor 'ondernemersonderwijs' dat op boeren, tuinders èn op hun toekomstige medewerkers is gericht.

Passie en liefde
Van der Ploeg verdient een compliment omdat hij vanuit een persoonlijke betrokkenheid, een inhoudelijk uitdagend boek heeft geschreven. Wij onderschrijven van harte zijn pleidooi om in het denken over de toekomst uit te gaan van de praktijk. Dat wil niet zeggen, dat de standpunten en keuzes die Van der Ploeg met het oog op de toekomst van de Nederlandse landbouw betrekt geen ruimte voor debat laten. Integendeel, maar het valt de auteur te prijzen dat hij oproept tot discussie en debat – en voor zijn pleidooi om daarbij de mogelijkheden en onmogelijkheden van de praktijk als uitgangspunt te nemen. Die uitdaging geldt ook voor het agrarisch onderwijs. De noodzaak om dáár in het proces van kennisoverdracht uit te gaan van de handelingsruimte die boeren en tuinders daadwerkelijk creëren om hun bedrijf te reproduceren kan en mag niet onderschat worden. Die noodzaak heeft ons inziens ook een zeer principiële kant: wil je jonge mensen primair bijbrengen dat hun mogelijkheden in het leven zijn ingeperkt door structuren of wil je hen ondersteunen in een ontwikkeling tot autonome, vrije persoonlijkheden. In het eerste geval leidt je virtuele boeren en boerinnen op, in het tweede mensen (boeren, partners en hun medewerkers) die binnen de conte't waarin zij leven en werken in de agrarische sector hun eigen leven proberen in te vullen. Tenslotte, Van der Ploeg heeft een gepassioneerd boek geschreven. Daarin weerspiegelt zich zijn liefde voor het vak, voor agrarisch Nederland in het algemeen en de boeren en tuinders in het bijzonder en ook voor de samenleving waarin hij is opgegroeid. Dat laatste blijkt uit de vele voorbeelden, die hij aanhaalt vanuit de praktijk van boeren in zijn 'heitelân' en uit zijn keuze om van een Fries etiket te voorzien (zo spreekt hij bij voorkeur van 'koweminsken' en niet van 'koeienmensen'). Het valt het agrarisch onderwijs toe te wensen, dat ook die passie en liefde kan worden overgedragen aan de nieuwe generatie – dat is wellicht de beste garantie tegen een toekomstig 'virtueel' agrarisch Nederland.
NIEUW
Publikaties kunnen besteld worden
(indien voorradig) bij:
De Leeuwenborch
kamer 313
Hollandseweg 1
6706 KN Wageningen
tel: 0317 - 48 45 07
fax: 0317 - 48 54 75

Jan Douwe van der Ploeg
Professor of Transition Processes in Europe
Wageningen University
the Netherlands and Adjunct Professor of Rural Sociology
College of Humanities and Development Studies
China Agricultural University, Beijing, China.
e-mail: klik hier