| home | NEDERLANDS | english | espaňol | português | italiano | |
Home · VIRTUELE BOER · agrarische pers · Agr. Onderwijs (3)

Agr. Onderwijs (3)

5, 22/3/2000 pagina 18-21

Hoogleraar Van der Ploeg over 'De virtuele boer'
De vrolijkheid terug, door Ton van den Born.


Agrarische scholen zijn als onderdeel van het 'expertsysteem' mede verantwoordelijk voor het voorbestaan van de virtuele boer. Of, met andere woorden, voor een onjuist beeld van landbouw en landbouwer. Dat vindt Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar rurale sociologie. In zijn boek, 'De virtuele boer', uit hij scherpe kritiek op dat expertsysteem. Bedachtzaam formulerend praat hij over de inspiratie voor en de implicaties van zijn analyse. Hij vertelt over de reacties en denkt na over rol en mogelijkheden van de agrarische scholen. Bijvoorbeeld dat ze bij toekomstige boeren zorgen voor vrolijkheid in plaats van verongelijktheid.



Jan Douwe van der Ploeg: 'Je moet hopen dat het agrarisch onderwijs niet een vertegenwoordiger is van het naijleffect, maar juist anticipeert en voorbereidt op de nieuwe situatie.'

'De virtuele boer' is het beeld dat landbouwministerie, agrarische onderzoekers en kennisinstellingen zoals de universiteit zich gevormd hebben van het beroep. Maar deze boer bestaat niet, aldus Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar rurale sociologie in Wageningen. Het beleid van wat hij aanduidt als 'expertsysteem' is gebaseerd op een onwaarschijnlijk toekomstideaal. Er is geen relatie met de praktijk. De hoogleraar analyseert in zijn boek de oorzaken van de kloof tussen theorie en praktijk, de totstandkoming van het beeld van boer en landbouw en de beleidsvorming op basis van dat beeld.

Wat is de bijdrage van de agrarische scholen aan die kloof -
'Ook agrarische scholen nemen deel aan het expertsysteem. Doorgeven van richtinggevende beelden, of die nu reëel of virtueel zijn, het aannemelijk maken en zorgen dat deze door grote groepen mensen bedeeld worden is een belangrijke functie van het expertsysteem. Je moet veronderstellen dat agrarisch onderwijs daar een rol in speelt.' 'Ik houd een paar slagen om de arm: ik ken het agrarisch onderwijs niet erg goed. Van de Landbouwuniversiteit kan ik zeggen dat deze in hoge mate virtuele beelden doorgeeft en in bepaalde opzichten ook verouderde visies en verouderd gereedschap. In hoeverre dit bij het middelbaar en hoger agrarisch onderwijs is, weet ik niet. Het expertsysteem is niet per se een monolithische systeem, hoewel er sterke centraliserende tendensen zijn. Ik neem aan dat de mas en has dicht bij de praktijk staan en er wellicht een aantal corrigerende tendensen zijn.'

Uzelf bent toch ook deel van dat expertsysteem -
'Jawel, maar ik voel me niet eenzaam. Er zijn veel collega's op de universiteit, in het praktijkonderzoek of bij het ministerie die in de gaten hebben: 'we zijn toch met iets heel raars bezig.'

Het voorbestaan van de Nederlandse landbouw staat op het spel, schrijft Van der Ploeg. Een uitweg zou kunnen liggen in de aanpak die we plattelandsontwikkeling noemen. Is plattelandsontwikkeling dé oplossing of een deeloplossing - 'Als je die discussie begint, zijn er een paar dingen erg belangrijk. Allereerst: wat versta je onder plattelandsontwikkeling - We zijn in Nederland geneigd plattelandsontwikkeling te fixeren op het exotische (zorgboerderijen, ijs maken op de boerderij, theeschenkerij) of het minimalistische (een boerderijcamping met 10 tot 15 plaatsten). Zolang je plattelandsvernieuwing blijft opspannen tussen het exotische en het minimalistische, dan gebeurt er wel iets, maar erg indrukwekkend kan het niet zijn.' 'Er is echter een veel bredere omwenteling gaande; je kunt spreken van nevenberoepen. Pluri-activiteit is in de landbouw wijd verspreid en in internationale discussies merk je dat die pluri-activiteit steeds meer als onderdeel van rural development of plattelandsontwikkeling wordt gezien.' 'Tot in de jaren 80 werd heel denigrerend gedaan over de boer met een nevenberoep. Dat was een 'postbodeboer'; die stond structurele ontwikkeling in de weg. En tot in de jaren 90 werd er meewarig gekeken naar boerderijen met minicampings.
Zo van : 'ook sneu dat ze het met melk alleen niet redden'. Wat erachter schuilging, werd niet begrepen. Namelijk dat er totaal nieuwe vormen van ondernemersschap aan het ontstaan zijn die betrekking hebben op het kunnen combineren van dingen en op het multiple gebruik van bepaalde hulpbronnen: je stal, je arbeid, je land. Dat is ontzettend belangrijk. In termen van ondernemerschap hebben zeer boeiende veranderingen plaatsgevonden. In bepaalde opzichten gaat het om kunstenaars, wat sommige mensen nu op het platteland opbouwen. Het weerspiegelt een gigantisch vermogen.' 'Je moet je dan afvragen wat onze definitie van ondernemerschap is en wat deze zou moeten zijn. We stellen ondernemerschap voor als een serie attributen van iemand.
Een ondernemer - Die durft iets, die is creatief, neemt snel vernieuwingen over, is jong, oriënteert zich op de buitenwereld en zit als het ware niet steeds achter de boerenkool maar probeert ook een chinees. En wat doet een ondernemer - Hier in Nederland - het wordt nooit hardop gezegd - is de goede ondernemer iemand die de aanbevelingen vanuit het e'pertsysteem braaf uitvoert. De condities werden wel zo gemaakt dat dit ook het meest voor de hand lag.' 'Dit idee van een goede ondernemer hoort bij de virtuele boer - ik ben benieuwd hoe dat in het agrarisch onderwijs is. Het is de vraag of dat idee nog overeenstemt met de praktijk. We zouden het ondernemerschap opnieuw rationeel moeten definiëren.' 'Je kunt namelijk drie ondernemersopvattingen onderscheiden. (Hij trekt een vel papier naar zich toe en schetst een driehoek.) In de bovenhoek zou je het klassieke ondernemerschap kunnen plaatsen. Het zoveel mogelijk afstemmen van je bedrijf, bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling op de markt. Je volgt de logica van de markt.' xEen andere hoek is - de klassieke Schumpeter-definitie - het gedurfde. Iets beginnen wat nog niemand doet omdat het niet rendabel lijkt. Dat is juist niet volgen van de markt, maar doelbewust afwijken om nieuwe marktkansen te creëren.' 'Weer iets anders is het creëren van vrijheidsgraden, dat wil zeggen een bepaald resistentievermogen.
Het is het bedrijf dat, anders dan in het klassieke model, zoveel mogelijk is gebaseerd op eigen vermogen en eigen arbeid. Het gemengde bedrijf zit in deze hoek. Als de markt gaat fluctueren, zit je hier meer geborgen. Je hebt een autonomie die ook op langere termijn zekerheid biedt.' 'We hebben lang op dat klassieke model gezeten. 'Jongens, doe wat we jullie aanbevelen, wij zorgen wel voor de randvoorwaarden.' Er is nu een heel andere situatie: terugtredende overheid en meer liberalisering - wat volgens mij verdieping van de crisis betekent. Je ziet dat veel boeren hier naartoe trekken en sommigen weer daarheen. (Hij trekt lijnen die vanuit de bovenhoek naar de linker- en rechterhoek lopen en tussen de linker- en rechterhoek.)' 'Het is heel opvallend - dat blijkt ook uit de studie van Verhaar en Hoeve (Agrarisch Onderwijs 19 van 8 december 1999) - dat degenen die echt nog klassiek willen schaalvergroten dat in het buitenland doen. Die beseffen dat de condities in Nederland zoals hoge grondprijs, beperkte planologische mogelijkheden en milieuruimte, dat hier uitsluiten.' 'Het zijn natuurlijk boeiende verschuivingen en het lijkt me dat de vraag past: onderkent men die verschuivingen in het agrarisch onderwijs en bereid men daar de jongens en meisjes op voor -' 'Een tijdje geleden hadden we een gesprek over het gemengde bedrijf.
Het blijkt dat zo'n bedrijf een fors resistentievermogen heeft, het doet het goed. In het expertsysteem wordt vaak gezegd: je kunt maar een ding goed doen, dus specialiseren. In een gemengd bedrijf moet je achter veel te veel aanlopen. En zeker: het combineren en verlagen van kosten en risico's door het multipele gebruik van dezelfde hulpbronnen is zeker een kunst. De vraag is: bereid het agrarisch onderwijs jongeren voor op het runnen van een gemengd bedrijf of is het met name gefocust op het specialiserend bedrijf -' 'Duidelijk is dat we middenin een paradigma-wisseling zitten (een algehele verandering van heersende vooronderstellingen) en dan heb je altijd instellingen en personen die eerder dan anderen inspelen op een nieuw model. Je moet hopen dat het agrarisch onderijs niet een vertegenwoordiger is van het naijleffect, maar juist anticipeert en voorbereidt op de nieuwe situatie.'

'De virtuele boer' heeft bij verschijning in november 1999 veel aandacht getrokken. Van der Ploeg wijst op een map met veertig artikelen en telt dat hij zeker viermaal uitgebreid op de radio en even vaak op tv is geweest. Hij heeft er 'op hun verzoek' ook met de vaste-kamercomissie voor landbouw over gesproken. Pieter ter Veer (in de Tweede Kamer woordvoerder landbouw D66) merkte op, aldus Van der Ploeg, dat het boek een doorbraak in het landbouwpolitieke debat vormde. Hoe zijn de reacties in het expertsysteem - 'Je merkt dat het boek en datgene wat het beschrijft mede een ondertoon gaat vormen in de debatten.
Ik krijg ook veel persoonlijke, stimulerende reacties.' 'Tegelijk - en dat verontrust me wel - geldt er aan institutionele zijde een oorverdovende stilte. Merkwaardig bijvoorbeeld dat als je na onderzoek en veel checken - en we doen dat hier met een grote club – tot de bevinding komt dat het LEI een verkeerde telling van boerenbedrijven uitvoert er niemand komt vragen hoe je dat zou kunnen corrigeren. Een oorverdovende stilte wat ook aangeeft hoezeer inmiddels opgebouwde kennis een belang is geworden. Het is in belang van dergelijke instituten dat dit juiste kennis is.' 'Datzelfde geldt in een aantal opzichten voor het ministerie van Landbouw.
Afgezien van de minister die elegant en positief heeft gereageerd, vertoont het apparaat als zodanig onvermogen; niet in staat te praten over: 'in hoeverre klopt het, waar vergis je je, waar zouden we moeten bijstellen en hoe zouden we dat moeten doen -' Het geldt ook voor de Landbouwuniversiteit, behalve opnieuw een aantal individuelen.' 'Je voelt haast in een schizofrene wereld. Met een enorme scheiding tussen het formele en het informele. Het gebeurt dat je iemand tegenkomt die zegt: 'daar en daar heb je volledig gelijk', maar zodra hij openbaar praat zegt hij: 'waanzin'; omdat hij dat móet zeggen. Intrigerend.' 'Ik heb wel enorm veel aanvragen voor lezingen en dergelijke uit de landbouwwereld gehad. Van lto-afdelingen, ajk's en kleine kritische clubs tot grote agro-industrieen toe. Het blijkt dat heel veel boeren het boek gelezen hebben, terwijl het best een moeilijk boek is. Het is toch een sociaal-wetenschappelijke studie die voor een heel ander publiek is geschreven.'

Deze doelgroep bestaat uit collega-wetenschappers in Nederland en het buitenland waar Van der Ploeg veel contacten heeft - het boek wordt vertaald in het Engels - het expertsysteem zelf en studenten van de Landbouwuniversiteit. Lang niet alle boeren reageren met uitnodigingen. Van der Ploeg spreekt over een voor- en achterhoede en beschrijft in zijn boek hoe virtuele beelden vanzelfsprekendheden kunnen worden. 'Het is ook alsof die vanzelfsprekendheden intussen verhard zijn. Veel betrokkenen hebben hun vanzelfsprekendheden omgebouwd tot een vuistslag op tafel. 'Dat kan niet schelen, maar het hoort zo te zijn dat'' Ze worden omgezet in een soort eisenpakket. Dat zie je bij de NVV en de bond van melkveehouders en op zekere hoogte ook bij LTO. Het gaat dwars tegen de geschiedenis in.' 'Heel interessant was het nieuwjaarsnummer van De Boerderij. Daarin stonden veertien interviews met voormannen en voorvrouwen uit de Nederlandse land- en tuinbouw, direct en indirect ook over het boek. reacties liepen uiteen van vernietigend commentaar tot sterke bijval. Als je dat analyseert - het is natuurlijk maar een kleine steekproef - kun je twee lijnen trekken: landelijk versus regionaal en oud versus jong. Dan blijkt dat landelijk en oud rabiaat tegen is en dat gewestelijk en jong langs dezelfde lijnen als het boek denkt. Heel interessant.' 'Ik ken die wereld, dus ik kon wel voorspellen dat de kritiek flinke heisa zou geven. Maar mijn taak als wetenschapper is niet om mee te praten met de vanzelfsprekendheden van eenieder, laat staan met de macht en het geld. Mijn taak is een andere. Kijken naar de problemen, de tegenstellingen, de uitwegen en de nieuwe oplossingen.'

Waar ligt de inspiratie voor het boek -
'De wortels van het boek gaan heel ver terug en die inspiratie ligt in de betrokkenheid van onze groep onderzoekers. Het laat ons niet koud wat er in de sector gebeurt. Ik geloof dat we ook in de toekomst landbouw in Nederland moeten houden. Maar dan wel een landbouw op Nederlandse maat gesneden.' 'Daartegenover staan de ideeën van het expertsysteem over hoe het zou moeten zijn. Daar liepen we vroeger met onze bedrijfsstijlenstudies al tegenaan. Er bleek niet één vorm van ondernemerschap. We zijn betrokken geraakt bij processen zoals plattelandsvernieuwing en het ontstaan van milieucoöperaties. Bovendien bleek dat wat hier als gekkigheid wordt gezien, elders in Europa zeer serieuze zaken zijn. Zo word je steeds meer bewust van dat spanningsveld tussen praktijk aan de ene kant en theorie en beleid aan de andere kant. Toen dacht ik: 'dat ga ik verder uitzoeken.' Hoe komt dat nou - We zijn van goede wil, maar hoe komt het dan toch dat het systematisch misloopt tussen praktijk en beleid. En steeds meer misloopt. Als het zo doorgaat, dan verdwijnt inderdaad de landbouw uit Nederland. Alleen niet om de redenen waarvan men aanneemt dat die er toe doen, maar omdat we het zelf actief verklungelen vanuit een theorie en daarop gebaseerd beleid.'

Terug naar het agrarisch onderwijs. Wat zou uw boodschap daar zijn -
'Dat in principe het agrarisch onderwijs essentieel is, juist nu op het moment van paradigma-wisseling. Het is dan de vraag of het zich kan opstellen als wegbereider van de nieuwe toekomstmogelijkheden. En in hoeverre dat onderwijs leerlingen een breed overzicht biedt en vaardigheden leert die in toenemende mate nodig zijn.' 'Cruciaal en voorbij alle technische vaardigheden is dat de vrolijkheid terugkeert. Op dit moment loopt er een lijn door de sector. Aan de ene kant mensen die het ontzettend naar hun zin hebben in het boerenberoep. Die zijn er trots op. Aan de andere kant heb je het knagen en de verongelijktheid. Het lijkt me heel belangrijk dat het agrarisch onderwijs die vrolijkheid en die lol bijbrengt. Dat het mensen leert dat er bij moeilijkheden terugvalposities en omwegen zijn om een mooi bedrijf op te bouwen, in plaats van dat je je vastbijt in iets wat toch niet kan en jezelf steeds verder de put van verongelijktheid in trekt.' 'Dat zal best moeilijk zijn, want op veel agrarische scholen - in ieder geval tien jaar geleden was dat zo - komen veel jongens met het idee: als ik van school af kom, zullen de koeien gaan geven. Dan wordt er goed geïnvesteerd. Ik heb verzoeken gehad van leraren van agrarische scholen die vroegen: 'kun jij niet komen vertellen over plattelandsontwikkeling want als ik het zeg, lachen ze me uit. Dan zeggen ze: hebben we niks mee te maken, dat is voor softies.' Ik weet niet hoe dat nu zit.' 'En verder - ook essentieel want daar gaat de boeren stand aan ten gronde - is begrip van hoe de maatschappij werkt. Het is een uitspraak van een vroegere NAJK-voorzitter: 'Kijk eens, dat de maatschappij ons boeren niet zo goed begrijpt, dat is niet zo erg. Als wij de maatschappij maar goed begrijpen. En dat kunnen doen wat ons versterkt in plaats van voortdurend brokken te maken.' Enig begrip van hoe de wereld werkt, hoe politiek functioneert en waarom er bepaalde maatregelen genomen moeten worden. Anders nekt men zichzelf. Dat moet niet in de marge van het onderwijs, een vak zoals maatschappijleer, maar alles moet ervan doortrokken zijn.'

Het is heel belangrijk dat het agrarisch onderwijs de vrolijkheid en lol bijbrengt van mensen die het naar hun zin hebben in het boerenberoep.

Jan Douwe van der Ploeg: 'Het agrarisch onderwijs is essentieel, juist nu. Maar het is de vraag of het zich kan opstellen als wegbereider van de nieuwe toekomstmogelijkheden. En in hoeverre dat onderwijs leerlingen een breed overzicht biedt en vaardigheden leert die in toenemende mate nodig zijn.'
NIEUW
Publikaties kunnen besteld worden
(indien voorradig) bij:
De Leeuwenborch
kamer 313
Hollandseweg 1
6706 KN Wageningen
tel: 0317 - 48 45 07
fax: 0317 - 48 54 75

Jan Douwe van der Ploeg
Professor of Transition Processes in Europe
Wageningen University
the Netherlands and Adjunct Professor of Rural Sociology
College of Humanities and Development Studies
China Agricultural University, Beijing, China.
e-mail: klik hier